De eerste foto- en koffiestop hielden we in de buurt van het dorpje Drusici, waar we een eerste blik konden werpen op de overweldigende Montenegrijnse natuur. Bergen zover je kan kijken met een helderblauw riviertje dat erdoor meandert: als eerste uitzicht kon dit wel tellen.
Verder rijdend door de bergen hadden we al een eerste zicht op het stadje Budva dat we de dag nadien zouden bezoeken.
Na wat een eindeloze tocht leek door een grote file kwamen we aan in het charmante Kotor. Wie door de imposante, middeleeuwse stadsmuren van Kotor wandelt, stapt een levend openluchtmuseum binnen dat zich op dramatische wijze vastklampt aan de rand van de Montenegrijnse rotswanden, direct aan het spiegelgladde water van de Baai van Kotor. De geschiedenis van dit historische stadje leest als een turbulente avonturenroman vol machtige koninkrijken, venetiaanse kooplieden, onverschrokken zeelieden en geduchte zeerovers die de smalle zeearm gebruikten als een natuurlijke schuilplaats. Al ver voor onze jaartelling lieten Illyriërs en Romeinen zich hier verleiden door de strategische ligging, maar het waren de middeleeuwen die Kotor haar onuitwisbare stempel gaven. Toen de stad in 1420 onder de vlag van de machtige Republiek Venetië terechtkwam, veranderde het straatbeeld voorgoed: kooplieden, edelen en architecten drukten een onmiskenbare Italiaanse stempel op de stad. Marmeren paleizen, wapenschilden van Venetiaanse adellijke families en pleinen met sierlijke fonteinen verschenen in het beschermde labyrint van straatjes.
Door de eeuwen heen werd Kotor herhaaldelijk op de proef gesteld door brute belegeringen en verwoestende aardbevingen, zoals die van 1563 en 1667. Toch wist de stad telkens weer uit haar eigen puin op te rijzen, elke keer met een mix van versterkte vestingen, trappen en paden die de berg op kronkelen.








Het hart van dit historische erfgoed – dat inmiddels terecht is erkend als UNESCO-werelderfgoed – wordt gevormd door de schitterende Sint-Tryphonkathedraal. Dit architectonische meesterwerk werd al ingewijd in 1166, wat betekent dat de kathedraal ironisch genoeg bijna zeventig jaar ouder is dan de wereldberoemde Notre-Dame in Parijs.
De biografie van deze kathedraal hangt van legenden en opmerkelijke feiten aan elkaar. Volgens de overlevering strandde in het jaar 809 een Venetiaans schip met de heilige relikwieën van Sint-Tryphon in de baai door een onwrikbare storm. Elke poging van de zeelieden om weg te varen mislukte, wat door de inwoners van Kotor werd opgevat als een goddelijk teken. De trotse burgers kochten om deze reden de relikwieën voor een fortuin van driehonderd gouden munten, waarna Sint-Tryphon de officiële beschermheilige van de stad werd. Een van de leukste weetjes over het gebouw is haar hardnekkige asymmetrie: na de zware aardbeving van 1667 stortten de oorspronkelijke gevel en klokkentorens in elkaar. Toen de stad tijdens de herbouw met geldgebrek kampte, werd de linker klokkentoren nooit meer in haar oorspronkelijke gotische glorie hersteld, waardoor de twee torens tot op de dag van vandaag totaal van elkaar verschillen. Binnen in de koele, gewelfde ruimtes wacht een schatkamer vol romaanse en gotische kunst, waaronder een zilveren hoofdaltaar en een prachtig bewerkt ciborium waar Sint-Tryphon fier een miniatuurmodel van het stadje in zijn handen draagt — alsof hij de smalle steegjes en oude gevels al eeuwenlang eigenhandig behoedt voor alle gevaren van buitenaf.









Wanneer je vanaf de zonnige kustlijn van Kotor de bergen in trekt, kronkelt de weg via vijfentwintig spectaculaire haarspeldbochten omhoog langs de steile hellingen van de berg Lovćen. Bij elke bocht wordt het uitzicht op de diepblauwe baai adembenemender, totdat de zee achter de rotsen verdwijnt en de temperatuur voelbaar daalt. Verscholen in een hoge, door ruige toppen omarmde vallei op zo’n negenhonderd meter hoogte, ligt Njeguši — het bergdorpje dat onlosmakelijk is verbonden met de heilige berg Lovćen.
Dit kleine gehucht draagt een grootse geschiedenis met zich mee, want het geldt als de bakermat van de beroemde Petrović-Njegoš-dynastie, de vorsten en bisschoppen die Montenegro eeuwenlang regeerden. De bekendste zoon van het dorp is Petar II Petrović-Njegoš — een legendarische dichter, filosoof en staatsman wiens indrukwekkende mausoleum op een van de hoogste pieken van het Lovćen-massief staat. Maar Njeguši staat niet alleen bekend om zijn intellectuele en koninklijke erfenis; het is bovenal het culinaire hart van de Montenegrijnse bergen. Dankzij de unieke ontmoeting tussen de frisse alpenlucht en de warme zeelucht heerst hier een ideaal microklimaat voor het ambachtelijk drogen en roken van rauwe ham en het maken van volle bergkaas.
Overnachten deden we in Hotel Monte Rosa.






