Na een ritje van een tweetal uur gingen we al wandelend de grens tussen Albanië en Griekenland over. Onze eerste stop was in een bakkerij met allerhande lekkernijen en veel te veel keuze.
Rond 14u kwamen we aan in Ioannina, de plek waar we twee nachten zouden verblijven.
Het Kasteel van Ioannina is de oudste Byzantijnse vesting van Griekenland die tot op de dag van vandaag continu bewoond is gebleven. De geschiedenis van dit gigantische stenen complex gaat terug tot de zesde eeuw, toen de Byzantijnse keizer Justinianus I de eerste versterkingen liet bouwen op de fundamenten van een nog oudere nederzetting. Door de eeuwen heen werd de burcht herhaaldelijk uitgebouwd door de Byzantijnen en de Noormannen, maar haar meest roemruchte en dramatische periode beleefde het kasteel aan het einde van de achttiende eeuw. Onder het bewind van de beruchte, ambitieuze en wrede Pasja van Epirus, Ali Pasja van Tepelena (Tepelenë), werd de vesting omgevormd tot het onneembare zenuwcentrum van een vrijwel onafhankelijk rijk. Ali Pasja versterkte de muren met massieve bastions, liet luxe paleizen verrijzen en veranderde de citadel in een politiek en militair bolwerk dat de hele noordwestelijke Balkan in zijn greep hield.
De citadel was het hart van Ali Pasja’s koninklijke domein, waar zijn legendarische paleis stond. Hoewel het paleis zelf in de negentiende eeuw door brand werd verwoest, herbergt de site nu het Byzantijns Museum en het graf van Ali Pasja zelf, afgedekt met een sierlijk gesmeed ijzeren hekwerk.







Ali Pasja, geboren rond 1740 in de ruige bergen van Tepelenë, groeide op in een wereld van bloedvetes en politieke chaos. Na de vroege dood van zijn vader raakte zijn familie snel haar macht en bezittingen kwijt. Gedreven door de bittere ambitie van zijn moeder Hanko, die hem inprentte dat macht de enige weg naar overleving was, begon de jonge Ali zijn loopbaan als bendeleider en struikrover. Dat zijn moeder zo verbitterd was, had een duistere reden: ze was samen met Ali’s zus gevangen genomen en zwaar vernederd door de mannen van de naburige stad Kardhiq. Ali vergat dit nooit en nam bijna vijftig jaar later op extreem wrede wijze wraak door honderden mannen uit die stad bijeen te drijven en koelbloedig te laten executeren. Met een scherp strategisch inzicht en een meedogenloze reputatie wist hij al snel een schare loyale volgelingen om zich heen te verzamelen. Hij begreep dat het wankelende Ottomaanse Rijk kansen bood voor ambitieuze mannen; hij bood de sultan zijn militaire diensten aan om lokale opstanden neer te slaan. Zijn tactische genialiteit en het nodige gekonkel wierpen vruchten af toen hij in 1788 door Constantinopel werd benoemd tot de officiële gouverneur, oftewel pasha, van Ioannina.
In Ioannina vestigde Ali een hof dat al snel een fabelachtige status bereikte in heel Europa. Hij regeerde als een de facto onafhankelijke vorst over een gebied dat grote delen van het huidige Albanië en Griekenland omvatte. Naast zijn voorliefde voor gruweldaden was Ali een groot liefhebber van archeologie. Hij financierde opgravingen in zijn eigen gebied en versierde zijn paleizen met antieke Griekse beelden en schatten.
Terwijl hij zijn hoofdstad transformeerde tot een bloeiend intellectueel centrum met Griekse scholen, regeerde er onder de oppervlakte pure terreur. Een van zijn meest beruchte wreedheden betrof zijn schoondochter Phrosyne. Omdat zij ervan werd beschuldigd een affaire te hebben (of simpelweg te veel invloed had), liet Ali haar samen met zestien andere vrouwen in zakken naaien en verdrinken in het Pamvotismeer.
Zijn hof fascineerde desondanks westerse diplomaten en reizigers. De beroemde dichter Lord Byron bezocht zijn paleis in 1809 en raakte diep geïntrigeerd door de paradox van deze man: een charmante, bebaarde zestiger met de zachtste omgangsvormen, die tegelijkertijd de absolute macht bezat als de “Leeuw van Ioannina”. Wat Byron destijds niet wist, was dat Ali onder de grote trap van datzelfde paleis een speciaal ontworpen kerker had gebouwd. Hier hield hij zijn politieke rivalen gevangen, puur zodat hij kon horen hoe ze boven hem smeekten om genade terwijl hij zelf de trap op- en afliep.
Zijn groeiende arrogantie en het openlijk negeren van het keizerlijke gezag leidden uiteindelijk tot zijn onvermijdelijke ondergang. In 1820 was de maat vol voor Sultan Mahmud II, die Ali Pasja officieel tot rebel verklaarde en een enorm leger stuurde om hem op de knieën te dwingen. Wat volgde was een bittere en uitputtende belegering van de vesting van Ioannina, die bijna twee jaar duurde. Zelfs in het nauw gedreven bleef Ali angstaanjagend: hij dreigde de hele burcht inclusief al zijn fabelachtige goudschatten op te blazen met buskruit als de soldaten te dichtbij kwamen. Pas in januari 1822 stemde de hoogbejaarde Ali in met onderhandelingen in een klooster op een eiland in het meer. Het bleek een valstrik te zijn. Ottomaanse soldaten omsingelden het gebouw en na een kort maar hevig vuurgevecht werd Ali Pasja dodelijk getroffen. Zijn afgehakte hoofd werd op een zilveren schaal naar Constantinopel gestuurd. Zijn hoofd werd in Constantinopel wekenlang als een attractie aan het publiek getoond, waarna een sympathisant het kocht om het alsnog een fatsoenlijke begrafenis te geven. Daarmee kwam een definitief einde aan het bewind van een van de meest kleurrijke, cultuurminnende en tegelijkertijd gevreesde heersers uit de Ottomaanse geschiedenis.
Overnachten deden we in Hotel Palladion.



