Dag 17: Thessaloniki

Thessaloniki (ook wel Saloniki genoemd) is de tweede grootste stad van het land en het historische kruispunt van de Balkan. De geschiedenis van deze metropool begon in 315 v. Chr., toen de Macedonische koning Cassander de stad stichtte en haar vernoemde naar zijn echtgenote Thessaloniki, de halfzus van Alexander de Grote. Dankzij de strategische ligging aan de beroemde Romeinse handelsroute Via Egnatia groeide de stad in de Romeinse tijd snel uit tot een cruciaal economisch en militair bolwerk. Nadat de stad in 1430 in handen van het Ottomaanse Rijk viel, transformeerde zij tot een unieke multiculturele smeltkroes waar Grieken, Turken en met name een grote gemeenschap van Sefardische Joden die vluchtten voor de Spaanse Inquisitie, eeuwenlang samenleefden.

In het hart van de historische binnenstad van Thessaloniki staat de Kerk van de Heilige Demetrius, een van de meest vereerde Byzantijnse basilieken van Griekenland. De geschiedenis van het gebouw is onlosmakelijk verbonden met de marteldood en verering van Sint-Demetrius, de beschermheilige van de stad. In het begin van de vierde eeuw na Christus, rond het jaar 303, werd Demetrius, een Romeinse legerofficier die zich in het geheim tot het christendom had bekeerd, op bevel van keizer Galerius gevangen gezet en op brute wijze geëxecuteerd in een ondergronds Romeins badencomplex. Gelovigen begroeven zijn lichaam ter plekke, en nadat het Edict van Milaan godsdienstvrijheid bracht, verrees in de vijfde eeuw een vijfbeukige basiliek over zijn martelplek en graf. Door de eeuwen heen werd de kathedraal geteisterd door felle branden, plunderingen en aardbevingen, maar telkens herrees zij uit haar as. Tijdens de Ottomaanse periode veranderde de basiliek in een moskee, totdat de stad in 1912 werd bevrijd en de kerk haar oorspronkelijke christelijke functie herwon.

De meest fascinerende ruimte van de kerk bevindt zich onder de vloer: de Crypte. Deze ondergrondse ruimte is de authentieke locatie van het Romeinse badencomplex waar Demetrius werd gedood. Bezoekers kunnen er wandelend door de stenen bogen en antieke waterbekkens de exacte martelplek en het oorspronkelijke graf bewonderen. Volgens een eeuwenoude traditie wordt Sint-Demetrius eervol Myroblytes (“de Myronolie-stromende”) genoemd, omdat er uit zijn relikwieën in de middeleeuwen een heerlijk geurende, heilzame olie zou zijn gestroomd die duizenden pelgrims genas. Ondanks de grote stadsbrand van 1917, die het dak en grote delen van het schip verwoestte, bleven diverse zeldzame zevende-eeuwse mozaïeken op de zuilen rond het altaar wonderbaarlijk gespaard. Deze mozaïeken tonen de heilige samen met stichters en kinderen van de stad, wat ze tot de meest waardevolle Byzantijnse kunstschatten van Europa maakt. Na de brand werd de kerk minutieus herbouwd met de oorspronkelijke stenen, marmeren zuilen en kapiteeltjes, waardoor de basiliek haar authentieke, klassieke vroege Byzantijnse sfeer behield.

crypte

Ingebed op het terrein van het Turkse Consulaat staat een elegant, drie verdiepingen tellend houten herenhuis dat het decor vormde voor een van de meest bepalende gebeurtenissen uit de moderne wereldgeschiedenis: de geboorte van Mustafa Kemal Atatürk. In 1881 werd Mustafa Kemal — de latere stichter en eerste president van de Republiek Turkije — in een van de kamers op de tweede verdieping geboren als zoon van de douane-ambtenaar Ali Rıza Efendi en zijn echtgenote Zübeyde Hanım. Na het overlijden van zijn vader verhuisde het gezin tijdelijk, maar de jonge Mustafa keerde er tijdens zijn jeugd en zijn studiejaren aan de Militaire Academie regelmatig terug. Na de Balkanoorlogen en de inlijving van Thessaloniki bij Griekenland werd het huis gekocht door de Griekse staat, waarna de gemeenteraad van Thessaloniki het pand in 1933 symbolisch schonk aan de Turkse Republiek ter gelegenheid van haar tienjarige bestaan en ter bevordering van de vriendschapsbanden tussen beide landen.

Het interieur van het museum vormt een authentieke tijdscapsule: bezoekers wandelen langs oorspronkelijke meubels, historische foto’s, persoonlijke documenten en kledingstukken van de hervormer. Een bijzonder detail is dat het terrein rondom het huis formeel diplomatiek grondgebied van Turkije is, waardoor het streng wordt bewaakt.

De Rotunda van Galerius is een van de oudste, meest robuuste en meest indrukwekkende Romeinse bouwwerken van heel Europa. Rond het jaar 306 n. Chr. gaf de Romeinse keizer Galerius de opdracht tot de bouw ervan als onderdeel van zijn keizerlijke paleiscomplex. Historici twijfelen tot op de dag van vandaag over de oorspronkelijke functie van het gebouw. Terwijl velen aannemen dat het ontworpen werd als een keizerlijk mausoleum voor Galerius zelf, suggereren anderen dat het diende als een heidense tempel gewijd aan Zeus. Doordat Galerius in 311 ver buiten de stad overleed en elders werd begraven, bleef het gebouw aanvankelijk ongebruikt. Aan het einde van de vierde eeuw liet keizer Theodosius I de structuur ingrijpend verbouwen en herinwijden als een christelijke kerk, waarmee de Rotunda transformeerde tot een van de allereerste officiële monumentale kerken van het Romeinse Rijk en eeuwenlang fungeerde als de kathedraal van Thessaloniki.

Nadat de stad in 1430 door de Ottomanen werd veroverd, bleef de kerk aanvankelijk behouden voor de christelijke gemeenschap, totdat het gebouw in 1590 op last van de lokale heerser werd omgevormd tot moskee. Tijdens deze periode werd de slanke minaret aan de zuidwestzijde gebouwd.

Toen Thessaloniki in 1912 door het Griekse leger werd bevrijd tijdens de Balkanoorlogen, werd het monument opnieuw ingewijd als de christelijke Sint-Joriskerk.

De massieve bakstenen muren van het gebouw zijn met een dikte van ruim zes meter ontworpen om immense krachten te weerstaan, wat verklaart waarom de Rotunda zware aardbevingen en meer dan zeventien eeuwen aan natuurgeweld wonderbaarlijk heeft overleefd. Met haar binnendiameter van ruim 24 meter en een koepelhoogte van bijna dertig meter hoog, geldt de Rotunda tot op de dag van vandaag als het “Kleine Pantheon” van Griekenland.

De nabijgelegen Boog van Galerius werd rond het jaar 298 opgericht om zijn verwoestende militaire overwinningen te vieren op de Perzische Sassaniden en de inname van de Perzische hoofdstad Ctesiphon. De boog maakte oorspronkelijk deel uit van een reusachtig, keizerlijk gebouwencomplex dat het keizerlijk paleis, de Rotunda en een overdekte hippodroom met elkaar verbond. Het monument diende niet alleen als een fysieke toegangspoort naar de machtige stad, maar vooral als een staaltje politieke propaganda dat de onoverwinnelijkheid van het keizerlijke gezag en het Romeinse leger aan de bevolking toonde.

Oorspronkelijk was het bouwwerk veel groter dan wat we nu nog zien. Het was een monumentale overkoepelende poort met acht pijlers die de beroemde handelsroute Via Egnatia overspande. Vandaag de dag staan er nog twee hoofdpijlers en een nevenpijler overeind, bedekt met reliëfsculpturen uit het Romeinse tijdperk. Deze stenen reliëfs vertellen als een antiek stripverhaal de bloedige details van de veldslagen, waarin keizer Galerius op zijn strijdros wordt afgebeeld terwijl hij de Perzische koning Narseh verslaat, omringd door marcherende Romeinse legioenen.

Verscholen tussen de moderne pleinen en drukke wandelstraten van het historische centrum liggen de indrukwekkende resten van het Paleis van Galerius, een uitgestrekt en ambitieus keizerlijk complex uit de Romeinse oudheid. Galerius riep Thessaloniki uit tot een van de belangrijkste keizerlijke residenties en administratieve centra van het Romeinse Rijk. Om zijn oppermachtige status gestalte te geven, liet Galerius een gigantisch complex bouwen dat zich uitstrekte over hectares. Het paleis fungeerde niet alleen als de residentie van de keizer en zijn hofhouding, maar ook als het politieke zenuwcentrum waar wetten werden uitgevaardigd, recht werd gesproken en diplomatieke missies uit het hele rijk werden ontvangen.

Het paleis was destijds voorzien van de modernste Romeinse voorzieningen, waaronder uitgebreide badhuizen en ondergrondse vloerverwarmingssystemen. Het meest unieke aspect is tegenwoordig de manier waarop deze zeventienhonderd jaar oude ruïnes zijn ingebed in de moderne stad, omringd door hippe cafés en appartementen.

De geschiedenis van de iconische Witte Toren gaat terug naar de vijftiende eeuw, kort nadat de Ottomaanse sultan Murad II de stad in 1430 veroverde op de Venetianen. De Ottomanen bouwden de massieve, 33 meter hoge toren om de zuidoostelijke hoek van de stadsmuur en de haven te versterken. Eeuwenlang diende het bouwwerk niet alleen als militair bastion, maar ook als kazerne en beruchte gevangenis. Vanwege de vele executies die binnen de muren plaatsvonden kreeg het gebouw in de volksmond de duistere bijnaam “de Bloedtoren”.

Om het bloedige, grimmige imago van het gebouw op te poetsen en de modernisering van de stad in te luiden, besloten de Ottomaanse autoriteiten de toren volledig wit te kalken. Volgens een populaire lokale overlevering werd deze klus in 1890 uitgevoerd door een joodse gevangene genaamd Nathan Guidili, die in ruil voor het witkalken van de hele gevel zijn vrijheid herwon. Vanaf dat moment werd het bouwwerk officieel omgedoopt tot de “Witte Toren”.

Toen Thessaloniki in 1912 tijdens de Eerste Balkanoorlog bevrijd en herenigd werd met Griekenland, werd de Witte Toren het officiële eigendom van de Griekse staat. Gedurende de Eerste Wereldoorlog diende het gebouw als centrum voor de geallieerde luchtverdediging en bewaarplaats voor archeologische schatten, en later als kazerne voor de kustwacht. Tegenwoordig is de kalklaag door de elementen en slijtage weer grotendeels verdwenen en vertoont de toren haar authentieke, warmere stenen kleur.

Vlakbij de waterkant en op korte wandelafstand van de Witte Toren staat het imposante standbeeld van Alexander de Grote. De oprichting ervan was bedoeld als een groots eerbetoon aan de beroemde zoon van Pella die vanuit deze contreien vertrok om de antieke wereld te veroveren.

Met een totale hoogte van meer dan elf meter, waarvan het bronzen beeld zelf bijna zes meter beslaat, toont het kunstwerk Alexander de Grote in volle glorie gezeten op zijn legendarische strijdpaard, Bucephalus. De jonge veroveraar is afgebeeld met zijn kenmerkende wapperende haren, een korte mantel en een schild versierd met een reliëf van het hoofd van Medusa. Het paard Bucephalus staat krachtig en strijdlustig uitgebeeld met gebogen nek, alsof hij elk moment het strijdveld wil betreden.

De reliëfs op het granieten podium rond het beeld verbeelden de belangrijkste historische mijlpalen uit zijn leven, waaronder de roemruchte Slag bij Issos tegen de Perzische koning Darius III en de legendarische veldslagen in Azië.

Aan de voet van het monument staan rijen bronzen marissas (de typische lange lansen van het Macedonische leger) opgesteld als een symbolische erewacht.

Na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog en de groeiende stroom spectaculaire opgravingen werd het Archeologisch Museum op 27 oktober 1962 officieel geopend. In de decennia daarna onderging het museum grondige renovaties en uitbreidingen om de immense schat aan antieke kunstschatten,variërend van de vroege prehistorie tot aan de Romeinse keizertijd, te presenteren aan het grote publiek.

De collectie biedt een overzicht van de geschiedenis van Macedonië. Een van de absolute hoogtepunten is de permanente tentoonstelling getiteld ‘Het Goud van Macedonië’, waar duizenden ongerepte gouden sieraden, diademen, ringen en met goud doorweven gewaden worden getoond die werden opgegraven in rijke Macedonische graven in Sindos, Vergina en Pella.

Het absolute meesterwerk in de collectie is echter de wereldberoemde Derveni-krater uit de vierde eeuw v. Chr. Deze kolossale, veertig kilo wegende bronzen wijnmengkruik is versierd met driedimensionale reliëfs die de god Dionysus en Ariadne verbeelden, en geldt als een van de allerhoogste technische en artistieke prestaties van de antieke metaalbewerking.

Geef een reactie

search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close