Gelegen op een uitgestrekte vlakte aan de voet van de Dajti-berg ligt Tirana, de energieke hoofdstad van Albanië die na decennia van strikt communistisch isolement is getransformeerd tot een van de meest kleurrijke en dynamische metropolen van Europa. Het verhaal van de stad begon als een bescheiden Ottomaans marktdorp, maar veranderde drastisch in de 20e eeuw toen dictator Enver Hoxha het land hermetisch afsloot van de buitenwereld. De littekens van dit paranoïde regime zijn nog overal tastbaar, met name in Bunk’Art 1 en Bunk’Art 2: reusachtige ondergrondse atoombunkers die nu zijn omgetoverd tot historische musea. Het absolute egomonument van de Hoxha-cultus is de Piramide van Tirana, oorspronkelijk gebouwd als zijn megalomane mausoleum, maar na een creatieve renovatie heropend als een openbaar cultuur- en technologiecentrum waar je via 130 traptreden naar de top klimt.
Het kloppende hart van de stad is het gigantische Skanderbegplein, vernoemd naar de nationale held wiens ruiterstandbeeld trots over de uitgestrekte ruimte waakt. Aan dit plein vloeien de tijdlagen van de stad naadloos in elkaar over: de sierlijke, 19e-eeuwse Et’hem Bey-moskee getuigt van het Ottomaanse verleden, terwijl het Nationaal Historisch Museum met zijn socialistisch-realistische mozaïek de roerige geschiedenis van het land vertelt. Waar de streng bewaakte wijk Blloku destijds uitsluitend toegankelijk was voor de communistische elite, is dit vandaag de dag juist de meest hippe en levendige buurt van de stad, boordevol trendy loungebars, boetieks en terrasjes. Om de betonnen skyline even te ontvluchten, zoeven reizigers met de Dajti Ekspres-kabelbaan in vijftien minuten naar de top van de berg voor een adembenemend uitzicht over de herrezen stad. Tirana is zo met haar pastelkleurige gevels, gastvrije studentenleven en rauwe contrasten het ultieme symbool van een natie die haar verleden omarmt terwijl ze vol gas richting de toekomst dendert.







































