De Catacomben van Sint-Callixtus (Catacombe di San Callisto), gelegen aan de Via Appia Antica, vormen de grootste, belangrijkste en best gedocumenteerde ondergrondse begraafplaats van het antieke Rome. Dit reusachtige, ondergrondse labyrint van gangen weerspiegelt de opkomst, de strijd en de uiteindelijke consolidatie van de vroege christelijke gemeenschap in de hoofdstad van het Romeinse Rijk.
De geschiedenis van deze catacomben begint aan het einde van de tweede eeuw na Christus. In die tijd mochten doden vanwege hygiënische en religieuze wetten niet binnen de stadsmuren worden begraven. De vroege christenen, die geloofden in de lichamelijke wederopstanding en zich fel verzetten tegen de Romeinse traditie van crematie, kochten buiten de stad stukken grond op. Rond het jaar 200 stelde Paus Zephyrinus de diaken Callixtus (de latere Paus Callixtus I) aan als beheerder van deze specifieke begraafplaats. Dit was een historische mijlpaal: het was voor het eerst dat de christelijke kerk in Rome een officiële, gemeenschappelijke begraafplaats bezat. Callixtus breidde het complex gigantisch uit. In de derde eeuw, toen de christenvervolgingen onder keizers als Decius en Valerianus hun hoogtepunt bereikten, werden de catacomben niet alleen gebruikt als begraafplaats, maar soms ook als geheime ontmoetings- en herdenkingsplaats. Nadat het christendom in de vierde eeuw werd gelegaliseerd, transformeerden de catacomben in een immens populair bedevaartsoord. Vanaf de vijfde eeuw, toen Rome herhaaldelijk werd geplunderd door binnenvallende stammen, werden de relieken van de pausen en martelaren om veiligheidsredenen overgebracht naar kerken binnen de stadsmuren. De catacomben raakten in de vergetelheid en de ingangen slibden dicht. Pas in 1854 werden de Catacomben van Sint-Callixtus herontdekt door de grondlegger van de moderne christelijke archeologie, Giovanni Battista de Rossi, waarna de zorg voor het complex werd toevertrouwd aan de congregatie van de Salesianen van Don Bosco.
Vandaag de dag strekt het complex zich uit over een oppervlakte van dertig hectare en telt het vier ondergrondse niveaus met een totale gangenlengte van zo’n twintig kilometer, waarin naar schatting 500.000 christenen begraven liggen. De belangrijkste bezienswaardigheden bevinden zich op het eerste en tweede niveau, die via een monumentale moderne trap toegankelijk zijn. De reis voert door nauwe, in de vulkanische tufsteen uitgehouwen gangen, waarvan de wanden van onder tot boven gevuld zijn met loculi (rechthoekige grafnissen) die ooit werden afgesloten met marmeren platen of terracotta tegels.
Het absolute hoogtepunt en spirituele hart van de rondleiding is de Pausencrypte (Crypta dei Papi), die ook wel “het kleine Vaticaan” wordt genoemd. In deze monumentale ondergrondse kamer werden in de loop van de derde eeuw maar liefst negen pausen en acht bisschoppen begraven. Aan de muren zijn de originele Griekse inscripties (Grieks was destijds de officiële taal van de kerk) van pausen zoals Pontianus, Anterus en Fabianus nog altijd vlijmscherp leesbaar, vaak aangevuld met het monogram ‘MPT’ (martelaar).
Direct verbonden met de Pausencrypte ligt de Crypte van de Heilige Cecilia. In deze ruimte lag eeuwenlang het lichaam van de beroemde patrones van de muziek, de heilige Cecilia, die in de derde eeuw de marteldood stierf. Hoewel haar relieken in de negende eeuw naar de kerk in Trastevere werden overgebracht, staat op de exacte plek van haar lege graf nu een prachtig, witmarmeren kopie van het beroemde standbeeld van Stefano Maderno. Het beeld toont de heilige in de exacte, geknielde houding waarin haar lichaam destijds ongeschonden werd aangetroffen.
Een andere cruciale bezienswaardigheid zijn de Cubicula van de Sacramenten. Dit zijn kleine, private familiegrafkamers die versierd zijn met enkele van de oudste christelijke fresco’s ter wereld, daterend uit de vroege derde eeuw. De muurschilderingen tonen unieke, vroege symbolen waarmee de christenen hun geloof in code uitdrukten om vervolging te voorkomen: de Goede Herder met een schaap op zijn schouders, de Anker (als symbool voor hoop en het kruis), en de Vis (waarvan het Griekse woord Ichtus een anagram was voor ‘Jezus Christus, Zoon van God, Redder’). Ook zijn er zeldzame, vroege afbeeldingen te zien van de doop en de eucharistie.
De Catacomben van Sint-Callixtus zijn daarmee een van de meest indrukwekkende en gelaagde monumenten van Rome. Ze bieden niet alleen een huiveringwekkende en intieme blik op de dood in de oudheid, maar getuigen bovenal van de stille, ondergrondse veerkracht van een gemeenschap die vanuit de duisternis van de tufstenen gangen uiteindelijk de religieuze en culturele toekomst van het Romeinse Rijk zou gaan bepalen.






