De geschiedenis van de Dom begint rond het jaar 796, toen keizer Karel de Grote begon met de bouw van zijn paltskapel, die het spirituele hart moest worden van zijn keizerlijke paleiscomplex in Aken. Na zijn dood in 814 werd Karel de Grote in de kapel begraven, waarna de kerk uitgroeide tot een van de belangrijkste pelgrimsoorden van Europa. Tussen 936 en 1531 was de Dom het historische decor voor de kroning van maar liefst 31 Duitse koningen en 12 koninginnen, wat het gebouw een ongeëvenaarde politieke en religieuze status gaf. Gedurende de eeuwen werd de oorspronkelijke Karolingische kern uitgebreid met monumentale gotische delen om de enorme stromen pelgrims op te vangen. Hoewel de omliggende stad in de Tweede Wereldoorlog grotendeels werd verwoest door bombardementen, overleefde de Dom de oorlog wonderwel met relatief lichte schade.
Vandaag de dag is de Dom een adembenemend totaalkunstwerk waarin verschillende bouwstijlen harmonieus samenkomen. Het absolute middelpunt is de Paltskapel (het Octagon), een unieke achthoekige constructie geïnspireerd op Byzantijnse kerken, met monumentale marmeren zuilen en een koepel die bedekt is met miljoenen glanzende goudmozaïeken. Direct aangrenzend ligt de gotische Koorhal (Glashaus van Aken) uit de 14e eeuw, die indruk maakt met haar metershoge glas-in-loodramen die de ruimte vullen met licht. Tot de belangrijkste bezienswaardigheden in het interieur behoren de Karelskroonluchter (geschonken door Frederik Barbarossa), de gouden Mariaschrijn en de Karelsschrijn waarin de resten van de keizer rusten, evenals de historische marmeren Koningsstroon op de galerij. Net buiten het schip bevindt zich de Domschatzkammer, die een van de meest waardevolle kerkelijke schatkamers ten noorden van de Alpen herbergt.











