De kerk staat aan de Oude Delft, waar rond 1050 waarschijnlijk al een klein tufstenen kerkje stond. In de 13e eeuw werd het uitgebreid en kreeg nog later een gotisch uiterlijk met hoge ramen en gewelven.
De toren kwam erbij in de 14e eeuw. Daarvoor moest wel een gracht worden gedempt en dat is geen ideale ondergrond: de toren begon meteen te verzakken. Het bovenste deel werd recht gebouwd, waardoor je nu die opvallende knik ziet. De nonnen uit het nabijgelegen klooster vonden de scheve toren zo eng dat ze bij storm aan de andere kant gingen slapen. Gelukkig was de toren stabieler dan hij eruitzag.
In de 16e eeuw wilde men overstappen van baksteen op natuursteen, wat je nog ziet aan het dwarsschip. Door de Reformatie bleef het hierbij. En daarna kreeg de kerk heel wat te verduren. Eerst raakte het imposante gebouw beschadigd door een stadsbrand, later verloor het al zijn glas-in-loodramen bij de buskruitramp van 1654. Voor het herstel werd geld ingezameld, maar helaas kwamen er vooral gewone ramen voor terug of men metselde het gat gewoon dicht. Pas in de 20e eeuw kreeg de kerk weer glas-in-lood, gemaakt door Joep Nicolas.
Tijdens de beeldenstorm is zo ongeveer het hele interieur gesloopt. Op de preekstoel na, die stamt uit 1548 en nog steeds te bewonderen is. En je ziet er graven van beroemdheden. Johannes Vermeer stierf onbekend en had een totaal onopvallende grafsteen, maar werd in 2007 geëerd met een grote gedenksteen. Piet Hein en Maarten Tromp kregen indrukwekkende praalgraven, en ook Anthonie van Leeuwenhoek is hier begraven.

















