
Een drietal uurtjes rijden bracht ons van Mystras naar de archeologische site van Mycene, een mythische plek in de Grieks geschiedenis.
Mycene speelt een rol in verschillende mythen, waaronder de Trojaanse oorlog. Bij Homerus is het ‘Goudrijke Mycene’ de stad van koning Agamemnon, opperbevelhebber van het Griekse coalitieleger dat tegen Troje uitvoer.

De geschiedenis van Mycene en de Myceense beschaving begon met Indo-Europese stammen die vanaf ca. 2100 v.Chr. het huidige Griekenland binnenvielen. Een van die stammen drong door tot in de Peloponnesos, waar ze verschillende steden met kolossale burchten en muren stichtten waaronder Mycene, Tiryns en Pylos. Tussen deze steden was een met militaire doeleinden aangelegde route met bruggen, waarlangs soldaten zich met hun strijdwagen konden verplaatsen. Deze bruggen, waarvan er nog twee intact en in gebruik, worden beschouwd als de oudste bruggen ter wereld.
De bloeitijd van Mycene valt in de periode tussen ca. 1400 en 1200 v.Chr., onder een koningshuis van absolute monarchen, wier macht weerspiegeld wordt door rijke archeologische vondsten, die zich thans grotendeels in het Nationaal Archeologisch Museum van Athene bevinden. De beroemdste vondst vormt het zogenaamde Dodenmasker van Agamemnon.

De Myceners ontwikkelden zich tot een rijke cultuur, die voornamelijk een verdere ontwikkeling was van de Minoïsche beschaving. Het grote verschil zit vooral in het feit dat er meer nadruk lag op de aanwezigheid van wapens en kampen, terwijl de Minoërs in relatieve vrede leefden.

De machtspositie van Mycene zette zich voort tot in de periode tussen ca. 1400 en 1150 v.Chr., waarna plunderende Doriërs een spoor van vernieling op het Griekse schiereiland achterlieten en alle centra van de Myceense beschaving verwoestten. Ook natuurrampen, hongersnood, oorlogen en epidemieën droegen bij aan het verval. Daarna was Mycene nog slechts een kleine, onbelangrijke stad. In 462 v.Chr. werd de stad ingenomen door het naburige Argos en definitief verlaten.

De indrukwekkende koningsburcht (de “akropolis”) van Mycene werd enkel bewoond door de heersende klasse: werk- en kooplieden woonden tot ver buiten de ommuring. De burcht is omringd door een 900 m lange en gemiddeld 6 m dikke muur, opgebouwd uit reusachtige steenblokken van verschillende grootte. Om (gewenste en ongewenste) bezoekers nog meer te imponeren, zijn deze blokken ter hoogte van de wereldberoemde Leeuwenpoort door steenhouwers fraai rechthoekig afgewerkt, en dat zonder ijzeren werktuigen.

De Leeuwenpoort dateert in zijn huidige vorm uit de 13e eeuw v.Chr., en vertegenwoordigt het oudst bekende monumentale beeldhouwwerk van Europa: twee opgerichte leeuwen (eigenlijk leeuwinnen) die tegenover elkaar staan, met hun voorpoten steunend op een soort altaar, waarboven een “Minoïsche” zuil prijkt, zonder twijfel een heraldisch symbool voor het koningshuis dat waakt over het welzijn van de stad. De leeuwen zijn in een duister verleden hun koppen kwijtgeraakt: wellicht hebben vandalen ooit op die symbolische manier het koningshuis willen treffen.

Deze poort verschafte toegang tot het centrum van de burcht, waar zich het paleis bevindt, dat in verschillende fasen gebouwd werd tussen 1400 en 1200 v.Chr.. Van het hele bouwwerk zijn alleen de vloeren over gebleven. Het paleis was zowel het economische als het religieuze hart van de stad: het overheidsapparaat (administratie) én het heiligdom waren hier ondergebracht. Binnen de muren van de burcht, aan de voet van het paleis, liggen verder de resten van particuliere herenhuizen voor de hoogwaardigheidsbekleders.





Ouder dan de burcht zelf, uit de 17e en 16e eeuw v.Chr., zijn de zogenaamde schachtgraven; rechthoekige kuilen waarin verscheidene dode leden van de koninklijke familie werden bijgezet. Uit de rijke grafgiften blijken invloeden uit het Nabije Oosten en Kreta. De doden van Mycene kregen sieraden, servieswerk en gouden dodenmaskers mee. Twee complexen van schachtgraven zijn ontdekt, omgeven door een ronde muur; een ervan ligt binnen, het andere buiten de ommuring.

Later werden koningsgraven buiten de burchtmuren in de rotsen uitgehouwen. Uit de 15e en 14e eeuw v.Chr. dateren verscheidene ronde koepelgraven voor de koningen, waaronder de zogenaamde Schatkamer van Atreus de beroemdste en de meest geperfectioneerde is. De koepels zijn telkens gevormd door ringvormig gelegde, elkaar overlappende lagen stenen. Elke laag versmalde de diameter, tot het gewelf met één enkele steen kon worden voltooid. Op soortgelijke wijze werden in de Myceense architectuur ook gangen overwelfd.





Op amper een half uurtje rijden van Mycene lag Nafplion, de stad waar we twee nachten zouden verblijven.
Navplion werd in prehistorische tijden reeds bewoond, maar de oudste nederzettingen zijn onder latere bouwfasen volledig verdwenen. Archeologische opgravingen hebben aangetoond dat het gebied rond de stad vanaf het 3e millennium v.Chr. vrijwel constant bewoond is gebleven. Volgens een legende kreeg de stad haar naam van haar stichter, koning Navplios, wiens zoon Palamedes de listige Odysseus wist te ontmaskeren, toen deze krankzinnigheid voorwendde om niet aan de Trojaanse Oorlog te hoeven deelnemen. Overigens was deze Palamedes niet de eerste de beste: hij gold als de uitvinder van de dobbelstenen en het schaakspel, waarmee hij de Griekse soldaten vóór Troje de verveling van het lange wachten wilde besparen. Uit afgunst, maar ook om zich te wreken, verstopte Odysseus geld in Palamedes’ tent, en beschuldigde hem valselijk van diefstal… Hij werd ter dood veroordeeld en gestenigd. Om de dood van zijn onschuldige zoon te wreken, liet koning Navplios na de val van Troje valse vuurbakens uitzetten, waardoor verscheidene terugkerende schepen hier op de klippen liepen.
De stad wordt, onder de naam Navplia, voor het eerst vermeld in de 7de eeuw v.Chr., toen ze door het nabije Argos werd onderworpen, maar een belangrijke rol heeft ze in de Oudheid verder nooit gespeeld.

Byzantijnen, Franken, Venetianen en Turken: allen zijn ze hier ooit de baas geweest. Pas in de Middeleeuwen (13e eeuw) raakte Navplion bekend, toen de “Frankische” kruisridder Guy de la Roche (die zich tot hertog van Athene had uitgeroepen) de stad in 1247 op de Byzantijnen veroverde. In 1388 moesten de Franken echter de heerschappij overdragen aan de Venetianen: Nafplion werd toen aanzienlijk versterkt, onder meer met het Bourdzi-fort (het fotogenieke eilandje in de haven), en doorstond menige belegering in de gewapende strijd tussen Venetië en de Turken, die er pas in 1540 in slaagden de stad in te nemen. Nafplion was toen een belangrijke doorvoerhaven: zijde en wol, lederwaren, kaas en bijenwas werden van hier uit naar het Westen geëxporteerd.

In 1686 kon het Venetiaanse leger onder Francesco Morosini de stad opnieuw heroveren: dat was het begin van een dertigjarige periode van intense activiteit. De oude wijk met zijn marmeren straten is voornamelijk een product van de tweede Venetiaanse bezetting (1686-1715), evenals de Palamidi-vesting en het Bourdzi-eiland. De Turken kwamen terug in 1715 met een leger van 100.000 man, waaronder veel Grieken, die waarschijnlijk de (katholieke) Venetiaanse heerschappij beu waren. De Turkse pasja, die in Nafplion verbleef, betoonde zich overigens zeer tolerant tegenover orthodoxe christenen.
Tijdens de Vrijheidsoorlog werd een heel bijzondere en strijdbare vrouw, Laskarina Bouboulina (echtgenote van admiraal Bouboulis), in 1821 belast met de belegering van Navplion, dat zij te land en ter zee gedurende 14 maanden blokkeerde. Zij voerde persoonlijk het bevel over een oorlogsschip, en slaagde erin de belegerden terug te drijven telkens wanneer zij een uitval deden. Het Turkse garnizoen werd uiteindelijk tot de overgave gedwongen. Op 30 november 1822 slaagde Staïkos Staïkópoulos samen met 350 Griekse vrijheidsstrijders erin de stad binnen te dringen, onder het slaken van de kreet “Vrijheid of Dood!”. In naam van de Griekse leiders onderhandelde Bouboulina persoonlijk met de vijand over de voorwaarden van de capitulatie.
Nafplion werd zo het centrum van het Griekse verzet tegen de Turken, en werd dan ook bij de Onafhankelijkheid de eerste hoofdstad en regeringszetel van de Griekse staat, van 1829 tot 1835. Het Parlement vergaderde tijdelijk in een voormalige moskee aan het Sýntagma-plein. Kapodistrias, het eerste staatshoofd, werd op 27 september 1831 vermoord door een politieke tegenstander en het volgende jaar besliste het Griekse Parlement dat het land een koninkrijk moest worden. De eerste koning, Otto I, werd er op 18 januari 1833 feestelijk onthaald, maar twee jaar later besloot hij met zijn regering definitief naar Athene te verhuizen.
Na zes jaar van intense activiteit werd Nafplion weer een provinciestadje, maar toch is er veel van de hoofdstedelijke sfeer blijven hangen. Het is nog steeds de zetel van een Grieks-orthodox aartsbisdom. Door het Venetiaanse verleden is er echter ook een vrij grote aanwezigheid van rooms-katholieken in de stad.
De eerste namiddag spendeerden we met het ontdekken van het leuke centrum van de stad, gelegen op wandelafstand van het hotel. Door de verkeersvrije marmeren straatjes, de vele winkels, restaurants en terrasjes was de stad een welgekomen rustplek na de voorbije drukke dagen.









